Samen alleen

“Samen was ik alleen. Alleen is niet samen.
Als we weer samen zijn, laat mij dan niet alleen.”

Ik schreef deze woorden voor hem, toen hij in de afkickkliniek zat. Ze kwamen vanzelf. Of nee, ze kwamen omdat ik eindelijk woorden vond voor wat ik al jaren voelde: ik miste hem. Terwijl we in hetzelfde huis woonden. Jarenlang had mijn partner een cocaïneverslaving verborgen. Hoe lang precies? Ik weet het niet eens. Misschien wel altijd.

Zelf heb ik, op een per-ongelukkige overdosis wietdruppels na, nooit drugs gebruikt. Wil ik iets wilder klinken, dan kan ik de rits medicijnen die ik tijdens mijn ziekteperiode kreeg opgediend ook nog meetellen.

Maar goed, safe to say: drugs horen niet bij mijn routines en niet bij mijn
omgeving. Als mensen op een feestje samen naar de wc gingen, dacht ik dat daar een sexy onderonsje gaande was. Er werd ook wel gesnoven of geslikt, maar romantiek kwam er blijkbaar niet aan te pas.

Ik wist dat hij in zijn jongere jaren alles had geprobeerd wat los en vast zat.
Geen probleem. Ik dronk in de kroeg, hij gebruikte op een feestje, als het maar
in het verleden lag. 

En dat deed het, volgens hem. Ik vertrouwde daarop. We bouwden samen een leven op. Het standaardplaatje. Een veilige vinexwoning, twee heerlijke dochters, allebei zelfstandig met werk in overvloed en omringd door familie en vrienden.

Iets te burgerlijk naar mijn smaak, maar ach, onze tijd zou
nog wel komen. Wist ik veel.

Langzaam, langzaam veranderde er iets. Hij veranderde. Hij was er. En toch was hij er niet. Hij was steeds vaker weg, zijn persoonlijkheid veranderde, zijn gezondheid ging achteruit en geld verdween.

Het begon allemaal klein, ongrijpbaar. Het viel op, maar net niet genoeg om echt actie te ondernemen. Op de momenten dat ik dacht: nu is er echt iets, had hij wel een verhaal dat ook zou kunnen kloppen. Ik twijfelde vaak, maar ik wilde hem geloven. Dus gaf ik wat nodig was, of het nou vertrouwen, hoop of geld was.

En verder verschoof ik mezelf elke dag een paar millimeter. Ik breide de steken recht die hij liet vallen. En hé, ik kan wel wat hebben, dus zo erg was dat niet. Ik deed nu wat meer voor hem, zo gaat dat toch in een relatie? Geen probleem.

Tot het een probleem werd. Ik ging kapot aan de onzichtbare, hardwerkende bijrol die ik had in een leven dat van ons samen had moeten zijn.

Talloze scenario’s heb ik in mijn hoofd afgespeeld. Ik heb hem erover bevraagd, of eigenlijk: ondervraagd. Ik vocht, maar ik kende mijn tegenstander niet. Wat ik ook deed om erachter te komen wie er tegenover mij in de ring stond, het lukte me jarenlang niet.

♫ I’ve been roamin’ around, always
lookin’ down at all I see
Painted faces fill the places I can’t reach
You know that I could use somebody.
You know that I could use somebody.
♫
— Kings of Leon, Use Somebody

Oké, ik hoor je denken: wát gebeurde er dan? Tijd voor details.

Hij snurkte ’s nachts zo hard (als hij überhaupt de moeite had genomen om naar bed te gaan) en was zo slecht wakker te krijgen, dat ik maandenlang op een matras op kantoor sliep. Krankzinnig.

Maar dat zag ik toen niet meer. Ik wist alleen dat ik de volgende dag weer een lange dag voor de boeg had, en moest slapen.

Slapen lukte trouwens sowieso niet. Ik lag wakker van de zorgen. Over zijn gezondheid. Over het eindeloze ophalen van zijn neus, de onverklaarbare bloedneuzen. Over het altijd en overal in slaap vallen. Hij sliep overal. Ik sliep nergens. (Saillant detail: uiteindelijk was het juist dat slapen dat hem ontmaskerde.)

En over geld dat verdween. Tienduizenden euro’s, die ik verdiend had. Van mij. En ja, óók van de spaarrekening en de spaarpotten van de kinderen. En als ik hem erover aansprak, gooide hij rustig de kinderen voor de bus. Want hij wist echt niet waar het verjaardagsgeld van onze dochter was gebleven.

Op de dagen dat hij thuis was, mochten de kinderen geen vriendjes meenemen. Want, noem een excuus… Eigenlijk maakt het niet uit, er was altijd iets. 

Nee, hij nam de kinderen liever mee naar zijn dealer. Die noemde hij dan wel ‘een vriend’.

Soms ging ik in paniek vanuit mijn werk naar huis, omdat ik de hele dag nog geen contact met hem kreeg. De combinatie van onbereikbaar zijn en zijn uitspraken over zelfmoord maakte dat ik menigmaal naar boven ben gerend met de angst dat hij in het trapgat zou hangen.

En daarvoor en daarna functioneerde ik gewoon. Alsof het gewoon dinsdag was. Want dat was het ook.

Een dagje uit met de kinderen, zijn idee. Hij lag slapend in de auto, terwijl ik met twee kleintjes door het park dwaalde.

Eigenlijk was het makkelijker als hij er gewoon niet was. Als hij sliep. De hele dag. Dan hoefden we in elk geval geen rekening te houden met zijn stemming.

Op dat moment wist ik nog niet wat de oorzaak van dit alles was. Dus voelde ik me ook nog schuldig. Omdat ik eigenlijk liever had dat hij sliep, niet mee kon, niet aanwezig was. Wie denkt dat nou over haar eigen partner?

Na elk bezoek aan de huisarts, door mij afgedwongen, kwam er geruststelling. Tot ik meeging. Toen kwam er een doorverwijzing naar het ziekenhuis. De neuroloog vermoedde narcolepsie (een slaap-waakstoornis). Wij samen naar het slaap-waakcentrum voor aanvullend onderzoek. Daar moest bloed geprikt worden. En toen werd hij bang. Hij was ineens bang voor naalden. Toen wist ik: dit is niet medisch. Ik bestelde een drugstest.

En een paar dagen later gebeurde dit. Inmiddels had ik in de bankapp een melding aangezet bij elke afschrijving (thank you ING). Ik zat te werken toen op vrijdagochtend vroeg het piepje kwam: weer een veelvoud van 50 euro gepind. (Pas later wist ik dat een gram cocaïne 50 euro kost. Dat verklaarde achteraf heel veel pinmomenten.) Ik wist: nu moet ik schakelen.

Familieleden erbij. Een interventie. Hij gooide het woord eruit. Ja, verslaafd. Niet de hele waarheid, nog steeds een halve. Een vaag verhaal over gokken. Ik wist: dit klopt niet. Maar voor mij was het op dat moment even genoeg. De drugstest lag al in huis. De dag erna, na nog een hele heftige dag, kwam de waarheid er alsnog uit. Niet uit zijn mond. Wel uit een potje. Blijkbaar was plassen makkelijker dan het zelf zeggen.

Cocaïne.

Een paar dagen later bevestigde de uitslag van het slaap-waakcentrum het nog een keer. Die angst voor naalden was geen angst voor naalden. Het was de angst voor de ontmaskering.

Achteraf hing zijn honger naar zijn middel als een schaduw over alles. Hij loog over alles. Verslaving is manipulatie onder invloed van een upper.

Ik vergelijk het altijd met een kindertekening. Zo een met stippen en cijfers. Het is totaal onduidelijk wat het wordt, tot je alle stipjes met een lijn hebt verbonden. Op dat moment is het overduidelijk. Ik had alle stipjes al jaren. Alleen de cijfers ontbraken.

Verslaving is een sluipmoordenaar. Hoe langer hij onzichtbaar blijft, hoe krachtiger hij wordt. Het was een alles verwoestende kracht die overal voelbaar was. Nu jaren later zit het nog steeds in het systeem van mij, en mijn dochters.

Wat hij verder in die jaren van verslaving heeft gedaan? Ik ken, denk ik, maar het topje van de ijsberg. En dat is genoeg. De rest wil ik ook niet weten. Verslaving maakt dat je grenzen overschrijdt. Die van anderen. En die van jezelf. Ook die van mij, en van onze dochters. Hoe harder hij viel, hoe steviger wij moesten blijven staan.

Een aantal maanden na de bekendmaking van zijn verslaving, zat hij in de afkickkliniek.

Ik schreef toen:

“Samen was ik alleen. Alleen is niet samen.
Als we weer samen zijn, laat mij dan niet alleen.”

En nu voeg ik daaraantoe:
“Nu ben ik alleen, en dit is minder alleen dan samen met jou.” 

Deel dit bericht:
Facebook
LinkedIn
WhatsApp
Pinterest
Email

Ik ben Ingeborgh.

Het leven sloeg hard toe. Hard, rauw, soms oneerlijk. Maar ik bleef staan. Geen idee hoe, maar echt. Mijn verhalen gaan over leven met alles erop en eraan. Ook als het instort.

Lees verder...