In 1910 hield Theodore Roosevelt een speech: Citizenship in a Republic. Daarin staat één alinea die, meer dan honderd jaar later, nog steeds trending is: “It is not the critic who counts… The credit belongs to the man who is actually in the arena.”
De arena. Een plek die ik, met mijn voorliefde voor Feyenoord, sowieso liever vermijd 😉 Maar waar ik me als alleenstaande moeder, herstellende van kanker, elke dag in bevind.
Het is vast niet de plek die Roosevelt destijds voor ogen had – ik denk niet dat hij dacht aan iemand die tussen de chemokuren door boodschappen doet en broodtrommels vult. Maar het voelt alsof hij over mij praat. Elke dag opnieuw. Zwetend. Strijdend. Fouten makend. In de modder.
En dan zijn er de mensen op de tribune. De tribune. Droge voeten, goed zicht, misschien een lekker zonnetje in het gezicht, en altijd klaar met een advies. “Je moet loslaten. Je moet om hulp vragen. Je moet goed voor jezelf zorgen. Je moet yoga doen. Je moet…”
En vanuit de modder wil ik maar één ding terugroepen: Ik moet godverdomme al zóveel.
Weet je wat er gebeurt als je toegeeft dat het zwaar is? Dan krijg je niet alleen medelijden, je krijgt er een hele to-do lijst bij. Lief bedoeld, maar niet helpend.
En zelfs dan, zelfs als je openlijk deelt hoe moeilijk het is, blijven de reacties vaak steken in adviezen. Want echt luisteren betekent ook: iets voelen. Echt kijken betekent: iets zien wat je misschien liever niet wilt weten. En dan zou je misschien ook iets moeten dóén in plaats van alleen maar een wijze opmerking maken vanuit je mooie kuipstoeltje in Vak A.
Laten we eerlijk zijn: daar zitten veel mensen gewoon niet op te wachten. Het is makkelijker om een advies te roepen dan om daadwerkelijk aanwezig te zijn.
En weet je? Ondanks alles zou ik niet willen ruilen. In de arena gebeurt het (auw).
Daar leer je wat toewijding betekent. Wat liefde kost. Wat het is om door te gaan als je niet meer kunt.
“Omdat er geen inspanning is zonder fouten en tekortkomingen; maar die er daadwerkelijk naar streeft de daden te verrichten; die het grote enthousiasme en de grote toewijding kent”.
Maar soms… soms wil ik zó graag dat iemand zegt: “Ik heb kaartjes voor jou. Voor de skybox. Niet zelf in de modder. Niet strijden. Niet door. Gewoon even zitten. Iemand anders laten vechten. Kijken. Popcorn erbij.”
Alleen… hulp krijgen is soms bijna net zo zwaar als géén hulp krijgen.
De paradox: ik mag wel rust nemen, maar alleen als niemand daar last van heeft. Als ik goed voor mezelf zorg, moet ik óók nog zorgen dat iedereen zich er goed bij voelt. Want als de kinderen balen dat ik er niet ben, voelt het niet als vrijheid. Het voelt alsof ik iets heb afgepakt.
En dan die goedbedoelde hulp. Die gaat stiekem vaak over de ander. “Kom lekker een avondje borrelen.” Ik drink niet meer. “We gaan een dagje naar de sauna!”
Lief bedoeld. Maar weet je wat ik écht wil? Een dag alleen. In bed. Een boek. Wandelen. Niet luisteren. Niet praten. Niet wéér ‘aan’ staan.
Het is een wonderlijke reflex: als iemand iets wil geven, wordt automatisch ingevuld hoe dat eruit moet zien. Maar waarom vragen we niet gewoon: Wat heb jij nodig?
Want ja, jij wil misschien graag iets leuks doen met mij, maar als jij me écht iets gunt, geef me dan wat ik nodig heb. Dat klinkt ondankbaar hè, maar het is eerlijk.
Soms heb ik overwogen om als een verslagen gladiator te gaan liggen en om genade te smeken. Om gewoon in bed te blijven. Zodat iedereen kan zien hoe zwaar het is.
Maar dat zit niet in mij. Ik ga door. Voor mijn kinderen, maar ook voor mezelf. Omdat ik geloof dat het ergens naartoe gaat.
“In het beste geval uiteindelijk de triomf van een grote prestatie kent, en die in het slechtste geval, als hij faalt, in ieder geval faalt terwijl hij grootmoedig is, zodat zijn plaats nooit zal zijn bij die koude en timide zielen die noch overwinning noch nederlaag kennen”.
Ik hou van mijn kinderen met alles wat ik heb. Als ze thuiskomen, vraag ik: “Hoe was je dag?” En ik luister. Naar alles. Hoe groot of onbenullig ook.
Maar soms, als de stilte valt, denk ik: Wie zorgt er eigenlijk voor mij?