♫Working 9 to 5, what a way to make a livin…♫
— Dolly Parton
Van 9 tot 5, dat is duidelijk. Het geeft structuur en grenzen. Maar voor mij, als zzp’er en alleenstaande moeder, werkte het zelden zo overzichtelijk. En toen de diagnose kanker kwam, helemaal niet meer.
Begin 2024 ben ik softwareconsultant, zelfstandig sinds 2014. Mijn werk draait om het ontrafelen van chaos: systemen die niet met elkaar praten, processen die vastlopen, mensen die verdwalen in de software. Ik ben de vertaler tussen wat er is en wat er zou moeten zijn. Ik hou van dat puzzelen. Ik ben er goed in. En het geeft me een heerlijk gevoel wanneer de boel eindelijk weer draait.
Toen de diagnose in januari kwam, zat mijn agenda vol tot en met de zomer. Zoals elk jaar. Want zo werkt het als je alleen verantwoordelijk bent voor het inkomen van jezelf én twee kinderen. Als je pensioen is verdampt in gaten die je zelf niet eens gegraven hebt.
Met de diagnose kwam een andere soort puzzel. Een breinbreker: wat betekent dit voor mijn werk? Dat ik voorlopig niet door kon zoals ik deed, was helder. Hoe het er wél uit ging zien? Geen idee.
Ik schreef al mijn klanten:
“Ik weet niet wat dit gaat betekenen. Als je zekerheid zoekt, snap ik dat. Als je het met me aan durft, laten we samen kijken wat lukt.”
Iedereen bleef.
Dat was eervol, maar het was ook een last. Want met dat vertrouwen kwam de druk om te leveren zodra het weer kon. Alsof ik hun geloof in mij moest waarmaken.
Ik bleef dus werken. Omdat het kon, maar ook omdat ik geen keuze had. Nou ja, je hebt altijd een keuze, maar sommige keuzes zijn geen echte keuzes. Ik was verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, maar ik was ook van plan om weer gezond te worden. En waar zou ik naar terugkeren als ik op dat moment alles uit mijn handen liet vallen? Mijn bedrijf waar ik elf jaar alles aan gegeven had? Onmogelijk.
Maar mijn werk gaf me ook iets anders: het gevoel dat ik nog steeds Ingeborgh was. Niet alleen maar ‘kankerpatiënt’.
Elke fase in mijn ziekte vroeg iets anders van mijn werk.
Diagnose – shock, maar nog wel functioneren. Operatie – paar dagen uit de roulatie, maar nog steeds de illusie dat het tijdelijk was. Nóg een operatie – oké, iets langer eruit.
Chemo – en toen werd het pas echt een probleem.
Na de buikoperaties was vooral langdurig zitten lastig, plus die allesoverheersende vermoeidheid. Maar vanaf de eerste chemo werden problemen pas échte problemen. De neuropathie in mijn handen sloeg op tilt na een tijdje tikken. Alsof duizend naalden in mijn vingers werden geprikt.
Maar dat was niet het ergste.
Mijn hoofd. Tering, ik ben bang geweest. Ik dacht dat ik was teruggebracht naar het niveau van een regenworm. Handelingen die ik al jaren blindelings uitvoerde, ineens geen idee meer. Na een Teams-sessie over wat ik moest gaan doen, was het alsof ik met het klikken op het rode ophang-icoontje ook direct mijn geheugen wiste.
Weg.
Alsof er nooit een meeting was geweest.
Ik kon het gewoon niet onthouden. Een bizarre gewaarwording, maar vooral beangstigend. Zou dit ooit weer goed komen?
Sommige dagen werkte ik uren, alsof er niets aan de hand was. De dag erna drukte iemand op het lichtknopje in mijn hoofd, pikdonker. Dan kon ik niets meer. Hoe leg je dat uit, dat je gisteren een ingewikkeld probleem oploste en vandaag niet eens weet hoe je moet inloggen?
Tijdens die onzekere periode kreeg ik via mijn verzekeraar ondersteuning van een arbeidspsycholoog. Ik was bang dat mijn brein nooit meer op niveau zou komen. We bespraken oefeningen, hersengym, boodschappenlijstjes maar eigenlijk deed ik dat al.
Mijn werk was mijn training. Elke dag dat ik weer probeerde te werken, leerde ik mijn hoofd opnieuw kennen. Niet volgens een wetenschappelijk schema, maar volgens de mijne: vallen, opstaan en af en toe vloeken.
Ik heb huilend achter mijn computer gezeten omdat niets lukte. Dagen waarop acht uur werk twee uur opleverde. Maar dan kwam er ineens zo’n dag waarop het wél ging, en daar leefde ik op, die ene dag gaf weer vertrouwen.
Ik heb vaak het advies gekregen om even helemaal niets te doen. Rust en ruimte te nemen om alles te verwerken. Lieve adviezen, echt waar. Maar niemand die vraagt: wie betaalt je hypotheek dan? Wat als je opdrachtgevers een andere oplossing zoeken? Wat als je straks net niet ziek genoeg bent voor een uitkering, maar ook niet fit genoeg om weer vol aan de bak te gaan?
Het is makkelijk roepen vanaf je vaste baan en je dubbele inkomen. Dat vangnet heb ik niet.
Het lijkt wel alsof er een soort maatschappelijk keurslijf is: zodra je ziek bent, hoor je even niets te doen. Alsof stilzitten per definitie beter voor je zou zijn. Maar voor mij was doorwerken, zelfs op een bedroevend instapniveau, juist de weg terug naar mezelf.
En zeker, ik werd op redelijk wat dagen gek van mezelf. Waarom ben ik zo’n idioot die doorwerkt, waarom doe ik dit? Er waren momenten dat ik alles wilde opgeven. “Is dit het nou? Als mijn tijd beperkt is, wil ik dan nu nog achter een computer zitten?”
Maar het antwoord is eigenlijk simpel. Zolang ik leef, wil ik graag fijn wonen. Mooie ervaringen opdoen met mijn kinderen. Dan heb ik vooralsnog inkomen nodig, en daar heb ik opdrachtgevers voor nodig, en die moeten dus tevreden blijven.
Maar veel belangrijker: als ik iets kán, dan ga ik iets doen. Want ik ben zelf verantwoordelijk voor mijn leven, net als jij voor het jouwe. Je kunt me niet wijsmaken dat het gezonder zou zijn om maar te stoppen met leven als je ziek bent.
Dus ik bleef werken. Ik moest mijn eigen norm bijstellen. Rutte zou zeggen: aanpassen aan het nieuwe normaal. Eerst hier herstellen. Dan pas beslissen wat ik wil.
Want ik wist: nu alles overboord gooien, is niet dapper. Het is wanhoop.
Dus ik bleef in beweging. Op mijn manier. Met mijn rekbare grenzen. Omdat ik wist dat elke factuur, hoe klein ook, een bewijs is dat ik er nog was en nog steeds verantwoordelijkheid nam voor mijn leven.
En zo werd het uur voor uur, stap voor stap herfst 2025.
Inmiddels kan ik weer vertrouwen op mijn capaciteiten. Ik (her)ken mijn nieuwe grenzen, mijn brein functioneert weer op niveau. Oké, soms zijn er nog steeds black-outs, of onnavolgbare gedachtesprongen. Maar de regenworm is verdwenen.
En met dat herstel kwam ook ruimte voor een andere vraag. Een vraag die ik tijdens de ziekte had weggeduwd, maar die nu niet meer te negeren was:
Wil ik dit eigenlijk nog wel?
Al langere tijd worstelde ik met de inhoud van mijn werk. Haalde ik daar nog de voldoening uit zoals in de eerste jaren? Ik zag veranderingen in mijn werkveld waar ik niet meer achter sta. Of misschien was ik zelf te veel veranderd om er nog dezelfde energie uit te halen.
Het voelde alsof ik had gevochten om terug te keren naar iets wat er niet meer was. Of niet meer paste.
En toen had ik een gesprek met een oude vriend. Ik vertelde hem over die worsteling, over dat gevoel van “en nu dan?”
Hij bood me een baan aan.
Totaal onverwacht. En ik werd er enthousiast van.
Dat verraste mij. Misschien hem ook wel, maar hij zal het niet toegeven.
Op de dag dat ik naar het ziekenhuis moest voor onderzoeken, om te laten vaststellen of de kanker nog weg was, zat ik te praten over een nieuwe baan. Een vreemd contrast, toekomstplannen of weer terug naar overleven.
Ik vroeg hem of hij wel zeker wist waar ze aan begonnen. “Als deze uitslag niet goed is, zit ik wellicht weer aan de chemo voor mijn eerste werkdag.”
Hij en het bedrijf hadden vertrouwen.
En dat vertrouwen maakt dat ik de stap durf te zetten. Om mijn zorgvuldig opgebouwde bedrijf achter te laten. Om met vertrouwen in dit nieuwe avontuur te stappen.
Eerlijk is eerlijk: tijdens het ondertekenen van het contract stak mijn bindingsangst nog even de kop op.
Maar na jaren van alleen verantwoordelijk zijn, voelt dit nu als de juiste stap. Niet omdat ik het niet meer alleen kón. Maar omdat ik niet meer alles alleen wíl.
Misschien had Dolly toch gelijk. Structuur en grenzen, collega’s en zekerheid. Ik leef, dus ik werk.